Maandag tot donderdag van 9.00 tot 17.30 uur - Vrijdag op afspraak

Tweede verblijven: de afschaffing van de intrestaftrek heeft heel wat belastingplichtigen verrast

03/09/2026 - Gepubliceerd door : FiduPress < Terug Tweede verblijven: de afschaffing van de intrestaftrek heeft heel wat belastingplichtigen verrast

Bij het opstellen van de belastingaangiften voor de inkomsten van 2025 hebben heel wat eigenaars vastgesteld dat de intresten van leningen voor een tweede verblijf of bepaalde andere onroerende goederen niet langer aftrekbaar zijn van hun onroerende inkomsten.

Deze wijziging heeft heel wat belastingplichtigen verrast, onder meer omdat ze ook betrekking heeft op leningen die vele jaren geleden werden afgesloten en omdat de timing van de inwerkingtreding op zijn minst bijzonder is.

Nu de belastingaangiften inmiddels zijn ingediend, leek het ons belangrijk om deze hervorming nog eens op een rijtje te zetten, evenals de beroepen die er momenteel tegen lopen.

Een afschaffing die geldt voor de inkomsten van 2025

Tot en met aanslagjaar 2025 konden de intresten van schulden die waren aangegaan om een onroerend goed te verwerven of te behouden, onder bepaalde voorwaarden worden afgetrokken van de belastbare onroerende inkomsten.

De wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 30 december 2025, heeft deze federale aftrek vanaf aanslagjaar 2026 afgeschaft.

Concreet betekent dit dat intresten die voor de inkomsten van 2024 nog aftrekbaar waren, dat voor de inkomsten van 2025 niet meer zijn.

Waarom heeft deze maatregel zoveel belastingplichtigen verrast?

De timing verklaart voor een groot deel de reacties. Een wet die in december 2025 werd aangenomen, heeft de aftrek afgeschaft voor de inkomsten van het volledige jaar 2025.

Gedurende vrijwel het hele jaar 2025 kon een eigenaar die zijn lening afbetaalde er dus nog van uitgaan dat de betaalde intresten onder de tot dan toe geldende fiscale regels zouden vallen. Pas op het einde van het jaar werd het wettelijke kader gewijzigd.

Bovendien geldt de afschaffing ook voor bestaande leningen. Een krediet dat tien of vijftien jaar geleden werd afgesloten, kan dit fiscale voordeel dus eveneens hebben verloren, hoewel hiermee mogelijk rekening werd gehouden bij de oorspronkelijke financiering van het vastgoed.

Soms een aanzienlijke impact

Voor een belastingplichtige die bijvoorbeeld nog 7.000 euro intresten per jaar betaalt voor een tweede verblijf, kan het verschil aanzienlijk zijn. Waar deze intresten vroeger onder bepaalde voorwaarden de belastbare onroerende inkomsten konden verminderen, is die mogelijkheid voor de inkomsten van 2025 verdwenen.

De impact is uiteraard groter voor eigenaars die nog een aanzienlijke schuldenlast hebben of meerdere met leningen gefinancierde onroerende goederen bezitten.

De hervorming wordt aangevochten voor het Grondwettelijk Hof

Deze inwerkingtreding is niet zonder reactie gebleven. Er werden verschillende beroepen tot vernietiging ingesteld bij het Grondwettelijk Hof tegen de bepaling die de aftrek van intresten afschaft. Onder meer het Nationaal Eigenaars- en Mede-eigenaarsSyndicaat behoort tot de verzoekende partijen.

Tot op heden doen deze beroepen geen afbreuk aan de belastingaangiften die overeenkomstig de momenteel geldende wetgeving werden ingediend. De uitkomst ervan verdient echter de nodige aandacht: een eventuele beslissing van het Grondwettelijk Hof zou gevolgen kunnen hebben voor de betrokken belastingplichtigen.

Waarom komen we hier vandaag op terug?

De afschaffing van de intrestaftrek is inmiddels een realiteit die veel eigenaars concreet hebben vastgesteld in hun belastingaangifte van 2026.

Maar aangezien de maatregel ook geldt voor intresten die werden betaald vóór de wet zelf werd aangenomen, van toepassing is op bestaande kredieten en momenteel het voorwerp uitmaakt van beroepen bij het Grondwettelijk Hof, is dit dossier mogelijk nog niet definitief afgesloten.

Bronnen: wet van 18 december 2025 houdende diverse bepalingen (BS 30 december 2025); circulaire FOD Financiën 2026/C/2 van 5 januari 2026; Grondwettelijk Hof, beroepen met betrekking tot artikel 2 van de wet van 18 december 2025.

Terug